Close

Nieuws

22 mei 2016

Kalshoven slaat de plank mis

frankk_W60095De Centrale Raad van Beroep heeft de gemeente Utrecht op de vingers  getikt over de beperking van huishoudelijke hulp op basis van de Wmo2015.In een opiniestuk in de Volkskrant noemt Frank Kalshoven  de uitspraak van Centrale Raad van Beroep opmerkelijk,  Kalshoven, de Volkskrant 21-5 . Hij stelt dat rechter “de beleidsfilosofie onderuithaalt waarop de Wmo is opgetrokken”.In tegenstelling  tot zijn analyse is het oordeel van de Raad geheel in lijn met Wmo 2015. De CRvB bevestigt hiermee tal van  uitspraken van lagere bestuursrechters, op enkele opvallende uitzonderingen na. Vaststaat nu dat huishoudelijke zorg als “maatwerk” thuishoort in de Wmo2015.

Kalshoven  wijst op de basisgedachte van de stelselwijziging: uitvoering van beleid, stelt die filosofie, kan het best plaatsvinden in de overheidslaag die ‘het dichtst bij de burger staat’, de gemeenten dus. De CRvB zou deze beleidsvrijheid nu aan banden leggen. Kalshoven vergeet alleen dat de  beleidsvrijheid natuurlijk wel beperkt wordt tot de ruimte die de wet biedt.

Het centrale beginsel van de wet is dat de gemeente inwoners met een lichamelijke of geestelijke beperking ondersteunt, zodat ze zo veel mogelijk een volwaardig leven kunnen leiden. Dit is het compensatiebeginsel. In tegenstelling tot de oude Wmo kent de Wmo2015 geen uitputtende lijst van voorzieningen, waaronder huishoudelijke hulp. In deze wijziging hebben sommige gemeenten een kans gezien om huishoudelijke hulp categorisch uit te sluiten of sterk te beperken. Ik zie de soms schrijnende gevolgen van dat beleid in de praktijk.

Iedereen die een beetje thuis is in de wet heeft deze interpretatie van de wet gezien als een nogal opportunistische manier om de (inderdaad onvoorspelbare) kosten van de stelselwijziging in de  hand te houden. Het ontbreken van specifieke voorzieningen is echter geen inperking van het compensatiebeginsel, maar een verruiming daarvan.  Gemeenten moeten ieder geval individueel onderzoeken wat de beste (en goedkoopste) oplossing is . Dat is niet altijd een standaardvoorziening, “maatwerk” in de terminologie van de wet.

Vervolgens stelt Klashoven dat in Nederland huishoudelijke zorg wel uit eigen zak kan worden betaald. Mensen met beperkingen met voldoende inkomen doen dat in de praktijk ook. Zij hebben geen zin in de bureaucratische rompslomp van een overheidsvoorziening, bovendien is er ook nog een aanzienlijke vermogensafhankelijke eigen bijdrage. In de praktijk speelt het probleem bij mensen die van een minimuminkomen moeten rondkomen, vaak als gevolg van hun beperking. Zij zijn financieel niet in staat deze zorg “lekker zelf te regelen”.  Het dagelijks leven met een chronische beperking is al duur genoeg.

Als je door zwakke gezondheid veel aan huis gebonden bent, dan is goede huiselijke hygiëne een levensvoorwaarde en geen particulier belang.  In zijn column kijkt Kalshoven vooral naar het macroniveau en vergeet de bijzondere groep waarvoor de wet bedoeld is. Dat is wel het niveau waarop, ook de hoogste, rechter toetst.

Dan nog de afwenteling van de kosten. Het is een logische gedachte, die ook tot uiting komt in de wet, dat vroegtijdig laagdrempelig ingrijpen, tot minder (kostbare) zorg  in de verdere keten leidt. Als deze benadering relatief hogere kosten bij gemeenten met zich meebrengt, is dat op zich geen probleem. Zeker niet als de totale zorgkosten dalen. Dat is slechts een verdelingsvraagstuk  voor de overheid tussen het gemeentefonds en  CIZ. Overigens hebben gemeenten nu honderden miljoenen voor huishoudelijke zorg opgepot, daar wordt in ieder geval niemand beter van.

De beleidsvrijheid van gemeenten is dus niet bedoeld om vooraf categorisch bepaalde voorzieningen uit te sluiten. De vrijheid is gelegen om betrokken en deskundig, niet schraperig, per individu de meest kosteneffectieve oplossing te bieden.Geen eenvoudige opgave, maar op den duur misschien wel goedkoper dan standaardoplossingen, waar mensen niet mee geholpen zijn. Dan pas wordt zorg gegeven op een manier die dicht bij de burger staat.

De rechter heeft de beleidsfilosofie van de wet volgens mij prima begrepen.